Woningvraag vs. landschapspijn

In Nederland en Duitsland moeten de komende jaren honderdduizenden extra woningen worden gebouwd. Daarbij wordt ook weer gekeken naar de rand van de stad en naar nieuwe uitleggebieden. Maar blijft er dan nog wel iets van het landschap over? Of kunnen die nieuwe gebiedsontwikkelingen ‘landschappelijk’ vorm krijgen?
BPD Magazine gratis ontvangen?

Brede grachten. Grote groene regenopvangzones. Smalle beken, holle straatprofielen en dunne geulen. Oberbillwerder, een van de grootste gebiedsontwikkelingen in Duitsland van de komende jaren, zal een ander stadsbeeld laten zien dan de meeste steden. De wijken en buurten in dit omvangrijke nieuwe stadsdeel tussen de weiden, landbouwvelden en buitenwijken van Hamburg (124 hectare, 7.000 nieuwe woningen, 5.000 arbeidsplaatsen, bouwstart medio jaren twintig) worden bepaald door klimaatadaptatie. Je kunt hier wonen aan de gracht, in een park, of juist heel stedelijk. Maar overal heb je contact met het groen. De ambities zijn fors, zegt Karen Pein, directeur van IBA Hamburg, het opdrachtgevende stadsontwikkelingsbedrijf. ‘Het is een van onze grootste stadsuitbreidingen sinds jaren. In Hamburg is een grote vraag naar goede, betaalbare woningen. We wilden daarom een uitzonderlijk goed plan. Ruim een jaar hebben we aan de targets gewerkt, voordat we ontwerpers uitdaagden om met een ontwerp te komen. Een ontwerp dat het beste zou bieden qua duurzaamheid, ecologie, mobiliteit, energie, sociale rechtvaardigheid en de verhouding tussen bebouwd en onbebouwd.’

Aus dem Ort entwickelt

Het Nederlandse ontwerpbureau Karres en Brands (landschapsarchitectuur, stedenbouw) kwam bij de prijsvraag als beste uit de bus. Het ontwikkelde samen met het Deense bureau Adept en Duitse Transsolar het masterplan met een ontwerpvisie op architectuur, infrastructuur en mobiliteit die gerust visionair kan worden genoemd. Een mozaïek van wijken wordt verbonden door straten waar voornamelijk voetgangers en fietsers welkom zijn, langs blauw-groene slagaders. Elementen van het onderliggende landschap, zoals historische waterlopen en afwateringsgrachten, zijn – soms in gereconstrueerde vorm – de dragers van het plan. ‘Oberbillwerder wordt gebouwd rond een green loop die overal doorheen gaat’, licht Pein toe. ‘Een groenstructuur die de verschillende wijken aan elkaar rijgt en waaraan alle cruciale stedelijke functies zijn geconcentreerd, van scholen tot kinderdagverblijven.’ Dit wordt een stad, zeker. Maar het onderliggende (cultuur)landschap is de zichtbare bakermat. Of, zoals Pein het uitdrukt: de stad wordt vanuit de plek ontwikkeld [‘aus dem Ort entwickelt’].

Één gereedschapskist

Aansluiten bij of voortbouwen op het bestaande landschap: het is in toenemende mate zichtbaar in de stedenbouw en gebiedsontwikkeling. Nieuw is het niet. De tijd dat bulldozers historische cultuurlandschappen begroeven onder dikke lagen ophoogzand, ligt achter ons. Vooral sinds de jaren negentig is het ontwerpinstrumentarium van de landschapsarchitect en de stedenbouwer ‘verder verfijnd en in elkaar geschoven tot één gereedschapskist’, schreven Leo Pols en landschapsarchitect (en ex-Rijksadviseur voor het landschap) Berno Strootman in De landschapsstad (1998). ‘Natuur, infrastructuur en duurzame watersystemen zijn nu een belangrijk onderwerp in de plannen.’ De landschappelijke kwaliteiten worden wel anders bij de woning gebracht dan bij de tuinstad (jaren dertig) of de parkstad (jaren vijftig). Prinsenland in Rotterdam, waarbij de oorspronkelijke agrarische verkaveling te zien was in het stedenbouwkundig plan, markeerde in de jaren tachtig een ommekeer. Net als de Bredase wijk Haagse Beemden, waarvan het stedenbouwkundig plan voor het eerst in de geschiedenis nadrukkelijk rekening hield met het landschap.

Weespersluis Lanenrijk Muiderslotpark

De toon gezet

Daarmee was de toon gezet. En met name sinds begin deze eeuw neemt de behoefte aan woongebieden waarin het landschap sterk aanwezig is, aanzienlijk toe, signaleerde Strootman in 2017 in een andere publicatie. Dit zijn woongebieden ‘waarin het oorspronkelijke cultuurlandschap niet wordt uitgewist, maar wordt benut, waarin het watersysteem natuurlijk is, waar bloemen mogen bloeien, waarin voor kinderen allerlei natuurlijke speelaanleidingen zijn in plaats van alleen de verplichte veldjes met wipkippen en glijbanen.’ Het ontwerp van Leidsche Rijn Utrecht speelde in de jaren negentig in op het bestaande (cultuur)historische landschap. In Almere-Buiten werd in diezelfde tijd eerst een landschappelijk raamwerk van bosstroken aangelegd. De ‘kamers’ binnen die bosstroken werden pas in de decennia erna bebouwd. Gebiedsontwikkelingen als Oberbillwerder, of Weespersluis in de Bloemendalerpolder, waar de kwaliteiten van de omgeving de inspiratiebron zijn voor het ontwerp van het woonlandschap, laten zien welke vlucht de landschapsarchitectuur in de stedenbouw heeft genomen. Dat juist nu weer zo grondig naar het landschap wordt omgekeken, heeft er onder andere mee te maken dat we ons realiseren dat het dreigt te verdwijnen. Dat besef van verlies (de ‘landschapspijn’, een term van journalist Jantien de Boer) hangt samen met de groeiende druk vanuit de woningvraag. Tegelijkertijd is het inzicht gegroeid hoe belangrijk groen voor gezondheid en welzijn is (met of zonder pandemie) en zijn er vele andere ruimteclaims die in het landschap zullen moeten landen: natuurbehoud, landbouwhervorming, klimaatadaptatie en energietransitie. Met landschappelijke structuren als uitgangspunt groeien de mogelijkheden om al die verschillende opgaven te combineren in de stads- en gebiedsontwikkeling. ‘Landschappelijke wijken’ krijgen een natuurlijker aansluiting bij de bestaande stad. Ze zijn misschien zelfs toekomstbestendiger, al zal alleen de komende tijd dat kunnen uitwijzen.

Doe het serieus

‘Dat is allemaal waar’, zegt Bart Brands, oprichter van Karres en Brands en medeontwerper van het spraakmakende plan voor Oberbillwerder. ‘Maar alle ballen op het landschap – dat komt op mij eerlijk gezegd vaak over als greenwashing. Er is ook iets anders aan de hand: het wordt steeds duurder om binnenstedelijk te bouwen. Dan loont het weer om te kijken naar bouwlocaties buiten de stad. Als je woningbouw daar oppervlakkig koppelt aan water, energie en ecologie, kom je goed weg. Ik zit vaak in jury’s en zie nu opeens overal groen verschijnen: op daken, op gevels, overal. Ik ben er een groot voorstander van, maar je voegt wezenlijk weinig toe. Ik zeg: doe het serieus.’ Hoe dan? Brands: ‘Wij benaderen een opgave, neem zo’n opgave als Oberbillwerder, altijd vanuit het landschap. Dat is een bepaalde manier van denken, werken en onderzoeken die bij ons vak hoort. Anders dan een architect of een ontwikkelaar werken landschapsarchitecten van beneden naar boven, dus niet vanuit een opgelegd idee.’ Darius Reznek, partner bij Karres en Brands en projectleider van het masterplan voor Oberbillwerder, typeert het zo: ‘De landschapsarchitect denkt in tijd en ruimte, maar vooral in tijd. Kijk naar een boom: die heeft tientallen jaren nodig om te groeien tot wat hij is. Voor een ontwikkelaar komt een gebouw op de eerste plaats, bij ons niet. Wij denken vanuit het landschap: wat kan dat écht betekenen en bijdragen?’

Een plan laten rijpen

Bij de wateropgave, de woningbouwkwestie en de energietransitie zien landschapsarchitecten Brands en Reznek nog steeds veel ‘van boven naar beneden’ gebeuren. Brands: ‘Het is oud denken. Er wordt een plan gemaakt en de landschapsarchitect wordt ‘erbij gehaald’ om de stoffering te verzorgen. Dat moet anders. Het gebeurt ook, gelukkig. Er zijn gebiedsontwikkelaars en gemeenten die er goed mee bezig zijn, vooral in de top van die organisaties. Daar is “groen als glijmiddel” echt passé.’ Oberbillwerder noemt hij een schoolvoorbeeld. ‘Die gebiedsontwikkeling wordt een echt groeiproces, vol aanpassingen.’ Reznek: ‘Een plan moet kunnen rijpen. Bij deze manier van ontwerpen hoort deskundigheid, maar ook het vermogen om naïeve vragen te stellen. Zoals: zullen we het zo eens doen? Waarom zou dit hier niet kunnen?’ Deze ‘van onderen-naar-boven-werkwijze’ transponeert het bureau graag naar andere domeinen in de stedenbouw. Brands: ‘Wij kijken ook naar de bestaande sociale infrastructuur. Wat is er al, en hoe kan dat vervolgens gaan groeien? De kerk, de moskee, de scholen? Ook daar is tijd het belangrijkste gereedschap.’ Een plan moet kunnen rijpen, maar ook realistisch en haalbaar zijn, wil hij maar zeggen. Ook in Oberbillwerder is dat zo, bevestigt Pein. Voor groene luchtkastelen is in Hamburg geen plaats. ‘Er moet veel gebeuren, de ambities zijn groot, en het gaat om vele functies. Maar het moet wel haalbaar zijn. Dat betekent dat de ontwerpers – stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten – met complexiteit moeten kunnen omgaan. Ze moeten innovatief vermogen laten zien en samenwerken. En economisch denken, dat is echt een knock out-criterium. Als een stad niet te maken is, wordt het geen succes.’

Je komt het verst met een goed multidisciplinair team, waarin je de kennis van een architect met de specifieke expertise van een landschapsarchitect verenigt
Jurgen van der Ploeg
Architect bij FARO Architecten
Alle ballen op het landschap? Dat komt op mij over als greenwashing
Bart Brands
Landschapsarchitect bij Karres & Brands
Tegenwoordig gaat het vooral om zoeken naar de balans: wat blijft groen, wat niet? Deze stad zal er niet uitzien als een ufo die ergens is geland
Karen Pein
Stedenbouwkundige en vastgoedeconoom bij IBA Hamburg

Landschappelijk wonen

Architect Jurgen van der Ploeg (FARO Architecten) is al langer gefascineerd door de relatie tussen stedenbouw en landschapsarchitectuur. Hij herkent zich overigens niet in de opmerking van Brands over ‘top-down’ werkende architecten: ‘Zo staan wij in ieder geval niet in ons vak.’ Juist daarom bracht hij in 2011 samen met Palmbout Urban Landscapes en H+N+S Landschapsarchitecten het boek Landschappelijk wonen uit. De aanleiding was het project Berkenbos in Zuidlaren. De architecten van FARO verbaasden zich na hun succesvolle ontwerp (beschreven in het boek) over de reserves bij veel ontwikkelaars ten aanzien van groene woonmilieus. ‘Landschappelijk wonen’ – dat wil zeggen wonen met veel groen, een zichtbaar landschap, vaak met collectieve ruimten – werd een beetje weggezet als iets geitenwollensokkerigs, iets voor Scandinavië, en vooral ook te kostbaar.

Sinds de verschijning van dat boek – vooral bedoeld als inspiratiegids – is veel veranderd. Van der Ploeg: ‘De groene ambities zijn nu veel scherper. We staan dan ook voor de opgave om diep na te denken over woningbouwplannen, over oplossingen voor vrijkomende landbouwgebieden. Het is urgenter dan ooit.’ Zijn bureau doet de laatste tijd opvallend veel projecten met landschapsarchitecten. ‘We zien de landschapsarchitect aanschuren tegen de architect en de stedenbouwer. Er komen ook steeds meer specialisten bij: ecologen, biologen, water- en energiedeskundigen. Opvallend is dat opdrachtgevers zich ontwikkelen. BPD, Dura Vermeer en AM hebben nu eigen conceptstudio’s waarmee ze deze thema’s zelf agenderen. Ontwikkelaars hebben hun reserves laten varen. Ze worden ook minder eenzijdig. Ze trekken zelf ontwerpers aan, ze zien in dat ze er met alleen bouwen niet komen. Veel tenders stellen eisen op het gebied van groen en duurzaamheid, dan sta je sterker als je kunt wijzen op je eigen denkkracht.’ Hij ziet dat het landschap steeds belangrijker is geworden in de stedenbouw. Allerlei ontwikkelingen bespoedigen dat: van bestrijding van hittestress en gezond leven tot andere mobiliteit: ‘Hoe meer mensen een deelauto gebruiken, hoe meer ruimte beschikbaar komt voor groen. Thuiswerken zal blijven na de pandemie. Dan kan de tweede auto eruit en komt er nog meer ruimte voor groen.’ Nieuwe mogelijkheden dienen zich aan. Van der Ploeg: ‘Wie vooral thuiswerkt, zal dat misschien in een werkhuisje in de tuin willen doen. In het Smart Brainport District in Helmond onderzoeken we nu of we dat kunnen inpassen.’ Hij voorziet een grote toekomst voor groene woonmilieus in en om de stad. ‘De stad was lange tijd hip, maar nu kun je ook best buiten de Randstad wonen, zeker als je maar twee keer per week naar kantoor gaat.’

Geen schaamlap

De beste plannen, zo bleek uit het boek ‘Landschappelijk wonen’, hebben een sterke integrale kwaliteit, waarin alle aspecten evenwichtig zijn vertegenwoordigd. Dat vergt maatwerk en precisie. ‘Groen’ en ‘rood’ moeten echt samengaan; groen mag nooit een schaamlap zijn. ‘Je komt het verst met een goed multidisciplinair team, waarin je de kennis van een architect met de specifieke expertise van een landschapsarchitect verenigt’, zei Van der Ploeg in een interview in het Jaarboek 2020 van het vakblad ‘Blauwe Kamer’ (landschapsarchitectuur en stedenbouw). Dat Jaarboek is overigens opmerkelijk kritisch over de kwaliteit van landschappelijk georiënteerde gebiedsontwikkeling in Nederland. Plannen zijn nog te commercieel ingestoken en te weinig doordacht, vindt de commissie die vele ontwerpen bekeek. Misschien heeft dat er wel mee te maken dat het onderwerp nog steeds niet grondig – van onderop dus – wordt aangepakt, vermoedt Brands. Hij wijst op een van de meest heikele discussies van deze tijd: de bestemming van de polder Rijnenburg bij Utrecht, die een energielandschap moet worden, of juist een woongebied. ‘Ik sta buiten die discussie, maar als ik erover lees denk ik: waarom staan de partijen daar zó tegenover elkaar? Veel opgaven kun je aanpakken met woningbouw én landschap. Begin van onderop: hoe kun je zo bouwen dat je uiteenlopende belangen verenigt? Waarom zonneweiden aanleggen, en niet een stad met een daklandschap vol zonnepanelen?’ Het landschap zelf – en niet zozeer de landschapsarchitect – heeft dan als het ware de ontwerpende hand in de gebiedsontwikkeling, zegt Brands. Zoals in Oberbillwerder gaat gebeuren. Daar is het landschap de ordenende kracht voor de gebiedsontwikkeling. Pein: ‘Vanouds waren stedenbouwkundigen en ontwikkelaars dominant aanwezig in de ruimtelijke planning, maar hier is dat anders. En ook elders in Hamburg is dat niet meer zo. Tegenwoordig gaat het vooral om zoeken naar de balans tussen stad en landschap. Deze stad zal er straks niet uitzien als een UFO die zomaar ergens geland is.’

Karen Pein stedenbouwkundige en vastgoedeconoom, werkt sinds 2006 bij IBA Hamburg, sinds 2015 als algemeen directeur. Pein studeerde aan de TU Hamburg-Harburg.

Bart Brands richtte in 1997 samen met Sylvia Karres het bureau Karres en Brands Landschapsarchitecten op. Brands is directeur en mede-eigenaar. Hij speelde een grote rol bij het ontwerp voor Federation Square in Melbourne (AUS), Købmagergade in Kopenhagen (DK), Nærheden in Hedehusene (DK) en recentelijk de ontwikkeling van het masterplan voor Oberbillwerder in Hamburg (DE).

Darius Reznek studeerde architectuur en stedenbouw in Roemenië en aan Wageningen University & Research. Hij werkt sinds 2012 bij Karres en Brands en is sinds 2017 partner. Hij werkte aan plannen in Kopenhagen (DK), Roskilde (DK), Parijs (FR) en Sydney (AUS), en recent aan het prijswinnende ontwerp voor Oberbillwerder, Hamburg (DE).

Jurgen van der Ploeg is een van de oprichters van FARO, bureau voor architectuur en stedenbouw. Hij is gespecialiseerd in ontwerp en onderzoek op het grensvlak van architectuur, stedenbouw en duurzaamheid. Hij was initiator en coauteur van het boek Landschappelijk Wonen, 34 voorbeelden in en om de stad.

BPD Magazine ontvangen?

Dit artikel verscheen in BPD Magazine. De volgende editie kosteloos op uw deurmat ontvangen?